Met Matthijs van Nieuwkerk heb ik afgesproken in een cafe bij de Overtoom, niet ver van het Leidseplein. Hij komt binnen, onherkenbaar. Het is nog vroeg.
“Jullie willen praten over Martin Bril? Waarom?”
“Omdat hij de column tot zijn voorlopige hoogtepunt heeft gebracht. Mensen lazen niet de Volkskrant, ze lazen Bril.”
“Klopt. Martin Bril sukkelde met zijn schrijfcarriere, het was midden jaren negentig. Ik was hoofdredacteur op de Parool-redactie. Hij dacht erover om een stukje te schrijven over een rechtbankzitting van een grote crimineel. Hij wilde die zitting verslaan aan de hand van een detail, de ring die om de vinger van de verdachte zat. De rest is geschiedenis.” In de kern is columnistiek niets anders dan de gevoel voor detail gecombineerd met een talent voor het gebruik van het juiste woord. Ik neem afscheid van Matthijs.
Henk Hofland is de meester van het heilige korte stukje. Onder het pseudoniem Montag publiceert hij al jaren op zaterdag in NRC Handelsblad over de kleine veranderingen in het mensenlandschap. Toen ik zijn stukjes voor het eerst las vond ik ze te moeilijk, onlangs heb ik zijn verzamelde beste stukjes in een ruk uitgelezen. Henk Hofland woont in Amsterdam en om op gedachten te komen, om inspiratie toe te laten pakt hij de tram. “Het liefst de 5, want die slingert door de stad naar het Spui waar cafe de Zwart is.”
Ik pak samen met hem de tram. De tram is een ideale plek voor Montag, zijn alter ego, om mensen te observeren, om te luisteren. Amsterdammers zijn luidruchtig, hebben het hart op de tong. Montag luistert en noteert. Buiten zwelt de massa aan en dringt naar voren om een plaatsje te bemachtigen. Dit is rijkdom voor Montag. Op het Spui stappen we uit; er staat een ambulance voor cafe de Zwart. Een Amsterdammer die Henk Hofland kent groet hem en zingt een lied voor hem. Er wordt gelachen. Het moet niet moeilijk zijn om hier een column van te maken. Ik weet het niet.
Paul Arnoldussen leer ik kennen op de redactie van het Parool, hij is de historicus van de krant. Met hem bezoek ik het krantenarchief om de eerste columns van Simon Carmiggelt te zien. De beginperiode van de column, toen het stukje nog een entrefiletje werd genoemd. “Op een persoonlijke, relativerende manier afleiding bieden in de brij van zware berichtgeving, dat was wat de column van Simon Carmiggelt deed.” De lichte toets werd vaak aangeslagen. We bladeren door de eerste edities van het Parool die toen net uit de illegaliteit kwam. “De krant bestond vanwege de papierschaarste uit acht pagina’s.” Acht pagina’s is een uitstekend aantal pagina’s voor een krant. Niet meer en niet minder.
Ik ben een liefhebber van columns, vooral wanneer ze gaan over zaken die bij mij om de hoek gebeuren. Het plotselinge bezoek van een politicus aan het buurthuis; een groot sportevenement dat over de stad trekt, de kat van een soapie die vermist wordt.
In Amsterdam lijken verrassende gebeurtenissen vaker te gebeuren dan elders in het land. Er is altijd wat. Amsterdam is dan ook een aantrekkelijke stad voor columnisten die elke dag voor ons verslag doen van de Zeitgeist. Op wat voor manieren laten die columnisten zich beinvloeden door de stad Amsterdam. Die vraag stelde ik columnisten en aan krantenmensen.
Literatuur was lange tijd taboe in Nijmegen
“Toen ik aan politiek deed, kon ik geen schrijver zijn. En toen ik schrijver was, kon ik niet meer aan politiek doen. In Nijmegen was dat niet te combineren. Dat is de essentie van wat mij hier is overkomen.” Schrijver en activist Koos van Zomeren vertelt uitgebreid over ‘actiestad’ Nijmegen in de vijfde aflevering van Benali in Boeken, het literaire reisprogramma van de NPS, dat woensdag 26 mei op Nederland 2 wordt uitgezonden.
Koos van Zomeren is naast schrijver, dichter, columnist en natuurvorser ook politiek actief geweest in Nijmegen. In deze stad zegde hij zijn schrijfambities vaarwel (hij had al twee dichtbundels gepubliceerd, en goede recensies ontvangen) en begon aan een indrukwekkende politieke carriere. Hij stond aan de basis van de SP. Koos van Zomeren heeft een roman geschreven over zijn vaarwel van de politiek. Hij loopt nu door de bossen en dalen van Nijmegen, met zijn rug naar het gewoel van de stad. Hij legt me uit hoe dit stuk van Nederland door langzame glaciale afzettingen die duizenden jaren in beslag namen geworden is tot wat het nu is. De natuur is oneindig trager dan de mens, en minder ongeduldig.
Terug in de stad bezoeken Koos en ik het voormalige hoofdkwartier van zijn SP. Vuilniswagens halen de vuilnisbakken leegt. Een gezonde man komt aangelopen, voordat hij naar binnen gaat vraagt Koos van Zomeren hem of hij de oorsprong van het gebouw kent.
“De SP zat hier.”
“Bent u de eigenaar?”
“Ja, ik verhuur het aan studenten.” Tussen neus en lippen door vertelt hij ons ook dat hij metselaar is. De arbeider is eigenaar geworden. Had Marx dit bedoeld met zijn sociale revolutie?
Met Thomas Verbogt loop ik door de straat waar hij is opgegroeid. “Ik liep vier keer per dag door deze straat. Naar school en terug. Lopen door deze straat roept vragen in me op over de werking van tijd en de invloed ervan op de taal.” Het is deze straat en niet de revolutie die aan de basis staat van zijn schrijverschap. Taal is de trage revolutie.
Terug in Café Trianon gaat het gesprek weer over dat zoeken van de jongeling Verbogt naar een plek waar hij zijn schrijverschap gestalte kon geven, vrij van de politieke druk. “Op de universiteit werden reclame teksten geanalyseerd op hun vermeende kapitalistische inhoud. Donald Duck verklaard voor kapitalisten, maar dan humorlozer. Literatuur werd gezien als bourgeoise, een nodeloze afleiding van de wat de hoofdzaak moest zijn: de verbetering van de positie van de arbeider, in het verlengde daarvan natuurlijk de revolutie.”
Thomas Verbogt onttrok zich eraan door in het huis van de literatuur te gaan wonen. Van daaruit keek hij naar die wereld die van de ambitie en rode dadendrang uit elkaar barste. Ook wanneer Verbogt praat lijkt het alsof hij met zijn gepolijste, afgewogen zinnen nog altijd afstand probeert te scheppen tussen literatuur en de chaos van de werkelijkheid. Bijzonder.
In de schaduw van dit geweld bezocht de jongeman Thomas Verbogt elke week café Trianon waar hij samen met Frans Kusters over Kafka en Virginia Woolf ging praten. Voor hen was taal het hoogste doel. Dat praten over de taal als diepste uitdrukkingsvorm deden ze in stilte om niet teveel de aandacht te trekken van de kameraden. Ik heb in dat café aan dat tafeltje gezeten waar die stille gesprekken werden gevoerd en dacht dat Kafka hier wel op zijn gemak zou zitten.
In Nijmegen ontstond een situatie die lijkt op die in het casino: een opgewonden menigte die elk moment verwacht dat ergens de jackpot zal vallen en dus nooit het gebouw kan verlaten. De jackpot voor de linkse actievoerders was natuurlijk die langverwachte sociaaleconomische omwenteling. Literatuur gaat over het verlangen naar de jackpot die maar niet valt. Op mijn twaalfde was ik een Marx-adept geworden. Een jaar later was ik een Paula Abdul-adept, de rondborstige dansers van Afro-Amerikaanse afkomst. Het kan snel gaan in een kinderleven.
Maar de belofte van Marx en Engels bleef. In Nijmegen werd er hard gewerkt om de omwenteling mogelijk te maken. Pamfletten werden gedrukt, intellectuelen gingen de marxistische leer als wetenschap uitdragen. Taal was een instrument, geen doel.
Literatuur lag in Nijmegen in de jaren zeventig onder vuur. Wie fictie wilde schrijven was verdacht. Nijmegen was door de gezamenlijke inspanningen van actievoerders, arbeiders met een bibliotheekpas en intellectuelen tot de stad geworden waar de komende rode revolutie zou plaatsvinden. Dan niet vandaag, wellicht morgen, maar zeker overmorgen. Ik bezoek deze stad om te zien hoe schrijvers zich verhielden tot de revolutie.



