NTR

Utrecht en de angst om te verdwijnen

Utrecht is voor schrijfster Manon Uphoff een stad, die zich altijd lijdzaam onderwerpt aan de macht. Staand voor het voormalige hoofdkantoor van de NSB aan de Maliebaan: “Dit is geen stad van de opstand. Utrecht voegt zich naar de macht. Het heeft behoefte aan macht, die het zelf niet zoekt, maar waar het wel bij wil horen.” Uphoff noemt deze typische karaktertrek van haar geboortestad “een verrukkelijke literaire bron” in de vierde aflevering van Benali in Boeken, het literaire reisprogramma van de NPS.

Get Microsoft Silverlight

Lees verder »

Die trots van Utrecht over zijn verleden, dat ligt voor de schrijfster Manon Uphoff ingewikkeld. Zij vindt dat Utrecht haar besmuikte verleden verbergt. Samen met haar bezoek ik de Maliebaan waar het voormalige hoofdkwartier van de NSB zat – de nationaal-socialistische partij die tijdens de tweede wereldoorlog met de nazi’s collaboreerde. Het is koud op de Maliebaan. Eigenlijk zou ik nu liever binnen willen zitten achter een kop warme chocolademelk. Kan niet, de literaire plicht roept.

“Aan de overkant zat een bank waar ik een bankrekening had,” vertelt ze, “ik heb het hoofdkwartier jarenlang over het hoofd gezien.” Er wonen nu studenten. Ze staren vanachter het raam naar ons, alsof we vrolijke aapjes zijn die het koud hebben. “Zullen we naar binnen gaan?”

Voor Manon Uphoff is Utrecht een smoezelig stad, de stad van de facade waar de mensen zich maar moeilijk prijsgeven. Sommige steden weten hun verlangen om weer een machtscentrum te zijn maar moeilijk te verbergen. “Typisch Utrechts dat op dit pand geen bordje staat dat hier ooit het hoofdkwartier van de NSB zat.” Het pand staat te koop. Volgens een van de studenten is er nog geen koper gevonden. Kopers kunnen zich melden bij de makelaar. Het pand heeft een ruime benedenverdieping.

Ik kom aan met de trein, wurm mezelf door de mensenmassa’s die de wandelgangen van het winkelcentrum Hoog Cathrijne verstoppen en kom buiten adem aan op het stationsplein. Een, twee straten doorsteken en het is al een stuk rustiger. Aan de rand van de bouwput waar het nieuwe Vredenburg moet komen spuwt de dichter/columnist Ingmar Heytze zijn gal over de vraatzucht van de projectontwikkelaars die het oude centrum aanvreten.

Hij ziet er jongensachtig uit, deze dichter op zoek naar het oude in al het nieuwe. Nostalgie voor alles wat kwetsbeer is stroomt onder zijn huid. “De stad zakt weg in zijn geschiedenis.” Omdat Utrecht oud is en zoveel schatten heeft probeert Ingmar het verleden weer tot heden te maken, bijvoorbeeld door de kalligrafische letter van de Utrechtse kunstenaar Moesmaan digitaal te maken. Voor Ingmar Heytze is Utrecht een stad die trots mag zijn op zichzelf. Wel trots moet zijn wil het blijven bestaan als Utrecht.

Er woonde een vriend in Utrecht die ik elke donderdagavond bezocht. Hij maakte muziek op de luit, hij vertelde verhalen. Ik bleef slapen en de volgende ochtend liep ik terug naar het station. Het was niet moeilijk om richting te vinden. Volg de Dom.

De aanwezigheid van de Dom die geen hoger gebouw boven zich dult. Het voormalig bisdom waant zich nog altijd de zetel waar de macht behagelijk zat. ’s Avonds als de grachten donker zijn klimmen de ratten langs het zwarte water.

Wat de geschiedenis achterlaat in steden zijn gebouwen, herinneringen en geruchten. Geruchten blijven het langst hangen. Nergens voel ik dat sterker dan in Utrecht, alsof achter de deuren en facades de meest krankzinnige verhalen op me liggen te wachten. Het komt wellicht door de kronkelende straten van de oude binnenstad die zo plotselings een eind kennen dat het verrast. Ik blijf verdwalen in Utrecht, ik blijf dat prettig vinden.

Tussen zand en veen.

Niets is zo bepalend voor een Haagse schrijver als de plek in de stad waar het leven is begonnen. Auteur Hans Sahar beschouwt het moeizame leven op het Haagse veen, waar hij in de criminaliteit verviel en zich al schrijvend opwerkte. Aan de andere kant van de beroemde Laan van Meerdervoort,  op het veel chiquere zand, kan hij zich eenzaam voelen. De daar gewortelde schrijfster Helga Ruebsamen: “Het begin bepaalt waar je komt. Daar kom je nooit meer van af.” Het zijn deze tegenstellingen, die Abdelkader Benali belicht in de derde aflevering van Benali in Boeken, het literaire reisprogramma van de NPS, dat woensdag 12 mei op Nederland 2 wordt uitgezonden.

Get Microsoft Silverlight

Lees verder »

Hans Sahar ken ik al bijna vijftien jaar en al vijftien jaar is hij Hans Sahar. Zelfde Haagse tongval, zelfde branie. Altijd een opgeruimd humeur. We bezoeken de wijk waar hij is opgegroeid in Wateringen. Hij beschreef Couperus in een van zijn boeken als een roze nicht. “Ik ga alleen maar naar het zand als daar iets te doen valt voor mij als schrijver. Anders kom ik er niet.” Hij praat over de andere kant van Den Haag alsof het een vreemd land is. Als we in de straat komen waar hij is opgegroeid komen net de buren naar buiten om de auto te wassen. “Dag Hans!” Voor onze ogen schiet een jongen met een plastic pistool zijn vriendje dood. Hans geniet.

Als we op Scheveningen aankomen waait er een sterke wind. Ik kijk naar de plek waar ik als kind op de fiets aankwam om over de duinen naar de zee te kijken. Herinneringen. Helga Ruebsamen heeft over de karakters van het zand en Scheveningen geschreven in talloze romans en verhalen. “Als je over het duin uitkijkt dan lijkt het strand met de pier erbij net de vorm van een eenhoorn aan te nemen.” Ze heeft een mooie dictie, afgewogen, precies. We pakken de tram voor een ritje van het zand naar het veen en terug. “Toen ik in uit Nederlands-Indie in Den Haag kwam dacht ik in het hiernamaals aangekomen te zijn. Zo stil was het op straat.” Deze opmerking treft me. Toen ik in Rotterdam opgroeide trof me op zondag de wezenloze stilte in de buurt. Alsof in alle huizen een begrafenis werd gehouden.

Aan Mensje van Keulen die opgroeide op het veen stel ik de vraag wat het verschil was tussen het veen en het zand. Hoe merkte je dat? We bezoeken het huis waar ze geboren is, niet ver van de Laan van Meerdervoort. “Mijn moeder werkte bij mensen op het zand als schoonmaakster. Daar werd anders gesproken, anders gedacht.” Het verschil met het zand werd niet zo sterk gevoeld. Je was een kind, je speelde op straat. Haar moeder bracht het zand thuis. Ze kijkt naar de kamer waar ze is opgegroeid. “Het is nu een keuken geworden, maar daar sliepen wij.”

Mensje van Keulen leefde zich als meisje al uit in haar fantasie. “Mijn moeder zag het en besloot een kamertje voor me te huren zodat ik met mij creativiteit aan de slag kon.” Haar vader was een man die het graag breed liet hangen. “Een kleurrijk figuur.” Achter het muurtje van de tuin werden de huizen al een stuk groter. “Daar begon het zand.” Den Haag houdt hartstochtelijk vast aan haar gespletenheid, product van de geschiedenis en gewoonte en haar bewoners accepteren dit als een natuurlijke conditie, zoals je de komst van de winter accepteert of het heengaan van een oude man. Maar wanneer ze beelden van Couperus zien of de Laan van Meerdervoort oversteken, worden ze zelf ook reizigers tussen die wereld van de levenden en de doden, het veen en het zand. “Alleen in Den Haag mag je zolang in je eigen gevoel geloven,” vertelde Helga van Ruebsamen me. Geen stad die gespletenheid zo accepteert, geen stad die de melancholie die eruit voortkomt zo celebreert.

Mijn eerste serieuze vriendin was een Hagenese uit de Schilderswijk. Zij kwam niet in de buurt waar Couperus zijn verhalen schreef, waar de villa’s waren en de brede straten. De Archipelbuurt was voor haar een ‘no go area’.

Mijn ouders mochten niet van onze minnekozing weten. Ik nam de ’s avonds de trein naar Den Haag en ’s ochtends vroeg de eerste trein terug. Ik las Couperus. De Stille Kracht. Na het vrijen trok ik het boek uit mijn tas onder het bed en begon te lezen. Couperus was van Den Haag. Ze haalde haar schouders op. Couperus, dat ging over mensen die heel deftig spraken, heel veel geld hadden en al heel lang dood waren.

Op een dag besloten we de Laan van Meerdervoort over te steken. Ik pakte mijn Haagse vriendin bij de hand. “Kom, we moeten ook die kant op..” Maar dat voelde voor haar niet zo. Er waren twee steden. Die van het veen, alles voor de Laan van Meerdervoort. Het zand, alles erna tot aan Scheveningen. We stonden voor een stoplicht. Nog een kilometer lopen naar de Archipelbuurt. Ze stond stil. “Laten we morgen gaan.” We gingen de volgende dag. Witte huizen waar de zon overheen streek. Mooie, laaghangende bomen. Pleinen met in het midden een standbeeld. Een melancholiek bezoek aan een museum. Toen we terugkwamen in de Schilderswijk gingen we Chinees eten.

Vanuit Rotterdam begonnen we te fietsen. Bij Delft gingen we buitenom, die stad lieten we links liggen. Dan snel door want wij, ik en twee vrienden, hadden niet zoveel tijd. We moesten echt voor donker weer thuis zijn maar wat wilden we graag de kustlijn bereiken! De stad kwam in zicht, maar we kwamen niet voor de stad. We kwamen voor het zand. De duinen. Langs Madurodam. Het wegdek begon te glooien. Het werd druk op de weg. File’s naar het strand. We slalomden om de wagens heen. Het leek alsof ik niet meer in Nederland was maar ergens in een ver, rijk land dat gelegen is aan zee. We kwamen aan. Scheveningen lag aan onze voeten. De zon begon in de zee te zakken. Meeuwen. De dag was perfect. We fietsten terug. Den Haag was anders.